Gedichten over kerkdiensten, dominees, priesters en muzikanten
'Maar wanneer een of ander mensje
uit het stof opgerezen
in de naam Gods spreekt,
dan bewijzen wij door een uitnemend getuigenis
onze vroomheid en onze eerbied jegens God,
indien wij ons gaarne laten onderwijzen door zijn dienaar,
hoewel deze in geen enkel opzicht boven ons uitsteekt.'
Johannes Calvijn (Institutie IV/III,I)
Miskotte in Voorst,
dat ligt in de bocht van de IJssel.
Hij woont er, stel ik mij voor,
als een paard met losse leidsel:
het staat met een groot hoofd te denken,
uitgespannen ten slotte,
en zo woont daar Miskotte
in een huis als een voederzak,
hij past er net in, zijn kuif het dak
en de blinkende zoldervensters
de oren warmee hij hoort
de wind van het woord.
Guillaume van der Graft
Zondagmorgen
Het licht begint te wandelen door het huis
en raakt de dingen aan. Wij eten
ons vroege brood gedoopt in zon.
Je hebt het witte kleed gespreid
en grassen in een glas gezet.
Dit is de dag waarop de arbeid rust.
De handpalm is geopend naar het licht.
Ida Gerhardt
Een predikant
Hij sprak aan één stuk door: in onze kringen
doet men nog steeds te weinig aan cultuur,
ik geef het toe, maar in het laatste uur
gaat het - nietwaar - ook om de laatste dingen!
Zijn adamsappel danste op en neer
boven de toga of het kaki-hemd,
over het godsrijk sprak hij hooggestemd
en blozend over seksueel verkeer.
Hij sprak over zijn eerbied voor het leven,
en dat God altijd kracht naar kruis wil geven
hing ingelijst in zijn studeervertrek.
Hij leek een halfzacht ei, maar toen ze kwamen
en hem met knuppels onder handen namen
hield hij voor 't eerst en tot het laatst zijn bek.
A. Marja
En aan het eind van de week
klonk altijd weer:
'Ssst! Vader werkt aan de preek.'
En ik weet nog heel goed, dat ik als kind
's zaterdagsavonds door de halfgeopende deur
vaders werkkamer binnenkeek.
Ja dat mocht.
Even kijken in het keukentje van God.
Even kijken hoe 't Hemelse Gerecht
wordt klaargemaakt.
Niemand heeft daar toegang tot
voor ieder blijft de deur op slot.
Slechts voor domineeskinderen de eer
om heel af en toe te kijken
In het keukentje van de Heer...
Seth Gaaikema
Kerkdienst
Ik loop achter een
ouderling,
ik krijg een hand onder
de kansel,
ik ben een dienaar,
een aangewezen,
een uitverkoren man.
Wij gaan in de
woordenwereld van God,
we gaan licht aansteken
in het leven
van mensen,
wacht er maar
op.
Schuldigen vinden
vergeving,
en de treurenden,
zij worden
vertroost,
o dit gebeuren,
elke week,
en niet langer te
moeten wachten
dan zesmaal een dag
en een nacht.
Ik leg een zegen
op allen,
mijn stem is een opgaande
zon,
mijn handen zijn vrolijk,
als duiven.
Geert Boogaard
Blumhardt
Hij had zijn koets zijn hele leven lang
klaar staan met paard en tuig, om als de tijden
vervuld zijn zouden en de grote zang
der engelen zou klinken, uit te rijden
in hoge hoed en zondags-zwarte kleren,
rechtop achter het trappelende paard,
zijn Heiland tegemoet, die weer zou keren
-en nu voorgoed -als Koning op deze aard.
God, wat hebt Gij gedaan met zulk een hart,
dat zoveel heimwee was en grote dromen?
- Het ligt nu stil te wachten in de grond.
En wat doet Gij met ons, die in het zwart
getij U om uw laatste wederkeren
roepen met een vertwijfelende mond?
Schulte Nordholt
De predikant
Liefkozend breekt zijn hand het brood aan brokken
De schaal raakt vol; er is weer overvloed.
Met zorg schikt hij de bekers om de schalen:
Een stilleven dat doden leven doet.
Met spanning wacht hij wie aan tafel komen:
de weduwe, de ouderling, diens vrouw,
het kinderloze echtpaar en het meisje!
-'k Heb zo gebeden dat ze komen zou' -,
de stille jongen -'Nee, nog geen verkering' -,
zijn ouders en de moeder al van acht
(ze kijkt nog eens waarschuwend naar haar oudste),
de schilder die zo graag en bulderend lacht,
zijn vrouw -'Wat ziet ze wit! Die grote ogen!' -,
het frisse kind dat pas belijdenis deed,
de mensen die sinds kort nog maar hier wonen,
en 't oudje dat wat mompelt en 't niet weet.
't Zijn al de zijnen; 't is Gods kleine kudde,
gekocht met bloed onttrokken aan de dood.
Ach HERE, zegen deze spijze. Amen.'
Het orgel zwijgt. Hij heft het heilig brood.
Ewoud Gosker
Predikantenlied
Hoe gezegend in ons land
Is het vak van Predikant!-
Godes hand rust, buiten kijf,
Zichtbaar op dit vroom bedrijf!
Dichters maakt alleen de Heer,
Predikanten mint hij zeer:
Daarom neemt men, dat is klaar,
Zooveel dichters bij hen waar.
Ik ben handelaar in graan,-
Met mijn dichten wil 't wel gaan:
Toch - ware ik een dominé...
't Wed dat ik het beter deê.
Velen, die men dichters heet,
Kost het dichten droppels zweet...
Maar in 't priesterlijke pakje
Gaat het van een leien dakje.
En geen wonder! Godes gratie
Geeft van zelven inspiratie;
Schande dan den godsman, die
Niet iets doet aan poëzie!
Blinkt de groote B. ter Haar,
Niet in onze dichterschaar?
Wie kent Borger niet van 't `Rijntje'?
Oók een dichter, en geen kleintje!
Mar van allen toch de baas
Is de grote Nicolaas;-
Wat heeft hij niet saâmgedicht!
Hoeveel harten niet gesticht!
Goethe met Homerus samen,
Kunnen nooit zijn roem beschamen:
Want hij heeft wat hun ontbrak:
Echte vroomheid... door zijn vak.
Niet het laatst dient gelet
Op den grooten Genestet:
Wel was hij wat los van trant,
Maar toch bleef hij Predikant.
Wonderbaar zijn 's Heeren paân!
Dikwijls ziet men het bestaan,
Dat een herder, die misleid is,
Toch nog Godes gunst niet kwijt is.
Predikanten in misleiding
Derven niet de dichterwijding,-
Schrijven dikwijls ongestoord
In het droevigst duister voort.
Zelfs van Vloten en Huetpoëzij.
Maar, Goddank! zingt nu cantaten...
Daar komt J.J.L. ten Kate!
Dankt den Heer met snarenspel
Voor Ten Kate, J.J.L..
Dat is scheppen, dat is dichten,
Loven, lieven, steunen, stichten...
Zing, ten Kate, zing uw lied!
God vergeet zijn dichter niet!
Luister niet naar schimp of spot;
Doe gerust - het oog op God -
De Commedia Divina
Door diviner poëzie na.
Schoon een vitter 't vonnis strijkt,
Dat het niets op Dante lijkt-
Gij, als Godsman, weet toch wel,
Hoe 't met Hemel staat en Hel.
Dante zelf was een verdwaalde:-
Hij, die gansch de Schepping maalde,
De eigen lijfpoëet des Heeren,
Hoeft van Dante niets te leeren.
Wee dan, wie uw vroom bestaan laakt!
Al het schoone, dat gij aanraakt,
Wordt, als met een tooverzwaai,
Eens zo lang en eens zo fraai.
En dan onze Laurillard!
Vormt met hem het schoonste paar:
Dat men hun één standbeeld giet,
Op één voetstuk van graniet:
De armen in elkander slaande,
Samen op één Bijbel staande,
Met één veder in de hand,
Beurtlings vroom en schalks van trant.
Zelfs het wufte schouwtooneel
Kreeg van dominé's zijn deel:
Daarvan maakt toch M.A. PerkSchaepman:
In het duister tast hij rond,
Toch spreekt verzen nog zijn mond.
Hoor ook pástoor Brouwers' lied!
Ach! het rechte wordt het niet...
Waarlijk, ik voor mij verkies
Nog... Jeronimo de Vries.
Waarom legdet gij, de Veer!
't Zieleherders-ambacht neêr?
Ach! gij hadt het moeten blijven...
Stellig zoudt gij beter schrijven!
Zie! in alles van uw hand
Proeft men nog den predikant:
Wie zich eens den Heere gaf,
Komt zoo gauw niet van Hem af.
Kranten, politiek en zoo,
Laat dat over aan de Koo,
Die, te ver reeds afgedwaals,
Tóch den hemel niet meer haalt...
Verder reikt uw vleugelslag
Dan de Nieuwtjes van den Dag...
Keer de Veer! o keer, ai keer
Tot den dienst des Heeren weêr!
Kuyper is wel predikant,
En schrijft tevens in een krant-
Maar die heeft zoo'n vreemd idee
Van zijn plicht als dominé.
Zeker is hij groot en knap,
Maar het Christ'lijk leeraarschap
Drijft hij wel wat oorlogzuchtig,
Wat rumoerig en luidruchtig...
Need'rig zij de dienaar Gods,
Wars van ijdelheid en trots!
Neen! op politiek gebied
Past de knecht des Heeren niet.
Laat dat schrijven bits en fel,
't IJdele professorspel!
Wellicht dan de Heer u gunt,
Dat ge verzen maken kunt.
God! waar kent uw goedheid palen!
Zij zelfs, die het vrees'lijkst dwalen,
Schenkt gij nog, van tijd tot tijd,
Zuiv're dichterzaligheid:
Allard Pierson was, voor jaren,
Een der trouwste bedienaren
Van het Goddelijke woord-
Door elk Christen graag gehoord.
Doch op eens heeft zijn talent
Van de schrift zich afgewend:
Droevig joeg hij na
Goddelooze aesthetika.
Toch zou God hem niet begeven,
Midden in zijn heidensch streven:
Ziet! daar slaat hij plots de lier
Met echt-dichterlijken zwier:-
Zóó volmaakt, dat men zou zweren,
Dat hij dienaar was des Heeren;-
Doch... het was slechts een restant
Van den ouden Predikant.
Nog zijn velen niet genoemd,
Door hun dichttalent beroemd;
Wèl gezegend in ons land
Is de geestelijke stand!
Schrijf maar, Neêrland's dominé's!
Schrijf maar in des Heeren vrees:
Slechte verzen maakt men nooit,
Als ons bef en toga tooit.
In uw lamp brandt heilige olie,
Dichten is uw monopolie;-
Want de Heer ziet toe en waakt,
Dat gij goede verzen maakt.
Schrijf maar, schrijf maar, zielestichters!
Schrijf gerust, dan wordt gij dichters...
Zeeg'nend, zeeg'nend rust Gods hand
Op 't bedrijf van Predikant!
Cornelis Paradijs
Werkster
Zij kent de onderkant van kast en ledikant,
ruwhouten planken en vergeten kieren,
want zij behoort al kruipend tot de dieren,
die voortbewegen op hun voet en hand.
Zij heeft zichzelve aan de vloer verpand,
om deze voor de voeten te versieren
van dichters, predikanten, kruidenieren,
want er is onderscheid van rang en stand
God zal haar eenmaal op Zijn bodem vinden,
gaande de gouden straten naar Zijn troon,
al slaande met de stoffer op het blik.
Symbolen worden tot cymbalen in de
ure des doods -en zie, haar lot ten hoon,
zijn daar de dominee, de bakker en de frik.
Gerrit Achterberg
Visp
De dominee van Visp
heeft een mond als een
kindertoetertje
als hij zingt.
Als hij zingt,
doet hij dat met heel
zijn lange lijf.
Als hij preekt,
spreekt hij met alles
wat in hem en aan hem is
beweeglijk,
bewogen Woord
boven de preekstoel uit.
boodschapper op de bergen,
een bloem
wuivend in de wind.
A. Vellekoop-Bijlsma
De preek
Zaterdagavond in de pastorie.
De leeslamp bijt een kegel uit de nacht.
Hier wordt weer eens het resultaat verwacht
van sterke koffie en theologie.
'Had ik,' zo heeft hij menigmaal gedacht,
'maar wiskunde gekozen of chemie.
Daarbij is 1 + 2 tenminste 3.
Bij de drieëenheid is dat niet van kracht.'
Met schrijven, schrappen, schrijven, schrappen, schrijven
moet er tenslotte toch iets overblijven
waarmee hij, als hij in zijn kerkje staat,
als daar vannacht de bliksem niet in slaat
met luider stemme, of het stond gedrukt,
uitleggen mag wat God niet is gelukt.
Kees Stip
Zondagavond
Amen. Ik heb gepreekt. Nu moet ik wel gaan schelden
En razen op die dwazen in mijn koude kerk,
Die zich bebeitlen laten met wat ik vertelde
Met de gelaten slaafsheid van een stenen zerk.
Kan ik het helpen, dat ik alles niet kan zeggen ?
Maar voelen jullie dan niet iets van het geweld
Van wat de duurste dominee niet uit kan leggen
En wat geen moeder aan haar kinderen vertelt ?
Van pure heerlijkheid is het niet uit te spreken.
Kon ik maar onder aan de preekstoel bij de trap
Een hand aan Jezus geven en Hem laten preken,
En zeggen: pas op 't deurtje, want de ruimte is krap.
Ik zie de hele nacht die lege kerkgezichten
Waar 't Woord op afstoot naar mijn lege hart retour.
En in de consistorie bij de nieuwsberichten
Zeggen wij God, de koster en elkaar bonjour.
De vrede ligt op sterven onder de genade.
't Portaal ligt vol vertrapte psalmen en de preek
Ligt nu bij stukjes en bij beetjes in de paden.
De kostersvrouw kijkt rond: het wordt een drukke week.
Dat Gij de hemel scheurdet en de nette kleren,
Scheur al die maskers en de muren en het dak!
Laat hier eens dalen heel de heerlijkheid des Heren,
Alsof de glazen zee door al haar dijken brak!
Laat me alsjeblieft met rust! Kan niemand dan begrijpen,
Dat preken leven is en sterven tegelijk,
En dat ik bij het amen in mijn arm moet knijpen
Of ik nu droom, dat ik zo arm ben en zo rijk?
Mijn bidden is veel wijder dan de twee gebeden,
Waarin mijn bijna-bidden met mijn bidden spot.
En zo moet ik dan maar voor jullie plaats bekleden,
Gaapkoppen, slaapkoppen, domkoppen, kindren van God.
Mijn armen zijn te zwaar voor de zwaar-geladen zegen.
En voor die grote bijbel is mijn hart te klein,
Och Here Jezus, Jezus, Jezus, houd mij tegen -
Ik spring de preekstoel af, de kerk wordt een ravijn.
Gij hebt de engel der gemeente willen schrijven,
En Zelf hebt Gij het ondertekend met een snik:
"Houd je maar kalm, Ik zal het ook wel blijven.
En houd maar veel van deze mensen -zoals Ik."
Okke Jager
EEN CHORAAL
Volgens zijn tijdgenoten was Johann Sebastian Bach
een virtuoos organist - hij speelde met
een onnavolgbare 'Leichtigkeit'
lichthandigheid zou je het kunnen noemen, maar dan zo
licht dat het was alsof het geen handen waren
die speelden
ik vermoed dat ik wel weet hoe het klonk
alsof ik hoor hoe hij het zeIf is die daar boven
in deze kerk in die kleine machinekamer
muziek zit te maken
je hoort het mechaniek, het gekreun
van scharnieren, het geklepper van toetsen
het gekraak van de vloer, het zuchten van wind
hoe er van lucht muziek wordt gemaakt
en er een choraal langzaam door de ruimte zweeft
als een onzichtbare gewichtloze vogel
leichtig leichtig
Rutger Kopland
Kaddisj
Kon je kaddisj zeggen, zou je loven.
Het klagen is ons naderbij, maar zij
met hun oude boek hun rouw van eeuwen
prijzen het oordeel dat het juist is,
voor hen de verzoening, geen vuist.
Hadden wij hun woorden. Niet
ik ben vergeten wat geluk is
huilden we, niet storten wij
ons hart uit als water, wachten
zouden we in stilte en luidkeels
goedertieren zeggen, goedertieren -
Marjoleine de Vos
WOORDGEBED
Woord, geef mij woorden
als een huid om mij heen
om zichtbaar te worden
vel over been
om sneller te hopen
dan de nacht valt
om vooruit te lopen
op uw gestalte.
Guillaume van der Graft.
Communie
de Klaagmuur in Jeruzalem
- niemand meer die weet -
maar in den beginne gaf hij antwoord
hij wou troosten
de klagers werden er nog ongelukkiger van
ze wilden ongehinderd klagen
nu zwijgt hij, al sinds vele eeuwen
en altijd gaat de klager opgelucht weer heen
soms zelfs getroost -
J.C. van Schagen
KERKJE VAN FRANSUM
Bestaat nog god, kleine sarcofaag
van het geloof, even leeg
als de dorische tempels van Paestum:
hun zuilen een schuilplaats voor andere vogels
dan goden - als ik naar hem vraag?
Kleine mummie van steen
zonder hart, tabernakel,
zonder plaats voor een wijkaars, bescherm je
met jouw lichaam ons landschap
als bodem voor hemel? ik vraag maar.
Stille klankkast voor buiten, voor grutto's
in juni, het loeiende melkvee bij 't hek -
zo gesloten, een avond, ik zit in het gras
tussen jouw zerken, zo ben je het mooist:
dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn.
C.O. Jellema (1936)
Dominee
Een herder is hij
een man van woorden
een mens onder mensen
behoedzaam
noemt hij hun naam
spreekt hij hen uit
naar het droge
het lieve zinsverband
de lieve vrede
zondags
klimt hij in de boom
gevaarlijk spel
maar het moet
het verhaal verteld
het hoge woord eruit
hij is ademloos
veel wind gevangen
hij beeft als een riet
Jeroen Zijlstra
Uit de reeks: Thomas, genaamd Didymus.
Ik heb mijn broertje dood. De bakker, wit
van meel, wilde een offer voor het brood
des levens. Want kinderen moeten groot.
Ik niet. Ik had mijn broertje nog en dit
levend verlangen – een woord lang – is dood;
mijn broertje ging, de handen in gebed.
Moest eigenlijk in zijn plaats, wilde het,
maar werd toen wakker, en het woog als lood.
De afgrond in, de diepste bakkerstrog.
Wie kneedt het meel tot deeg? Wie eet met tranen
van broeders brood? De bakker wist het nog:
wat meel tot deeg doet rijzen heet verdriet.
Zuur desem. Broederdood. Maar alle granen
sterven voor wortel. Dat wilde ik niet.
C.O. Jellema
Simili modo
Wijn met water
behoedt je niet voor kater,
want de wijn is zijn bloed
en het water onze ziel.
Dit werd uitgebroed
door het vleesgeworden woord,
een zonderling reptiel
dat voor ons zieleheil
orakelt als een natte dweil
en kakelt als vermoord.
Hugo Claus,
| Kerkdienst Ik loop achter een ouderling, ik krijg een hand onder de kansel, ik ben een dienaar, een aangewezen, een uitverkoren man. Wij gaan in de woordenwereld van God, we gaan licht aansteken in het leven van mensen, wacht er maar op. Schuldigen vinden vergeving, en de treurenden, zij worden vertroost, o dit gebeuren, elke week, en niet langer te moeten wachten dan zesmaal een dag en een nacht. Ik leg een zegen op allen, mijn stem is een opgaande zon, mijn handen zijn vrolijk, als duiven. Geert Boogaard |
